Nieuws - Er stond een engel bij haar bed

Haar naam kende ik al. Een cliënt van mij had haar naam al diverse malen genoemd. Hij vroeg mij dan of Margje al eens contact met mij had opgenomen. Hij had haar diverse malen geadviseerd contact met mij op te nemen en een behandeling te ondergaan. Hij had haar gezegd dat het haar goed zou doen wat zachtheid te ontvangen tijdens haar gevecht tegen kanker. Maar ze deed het niet. Ik hoorde niets van haar. Tot dat telefoontje. 

Een man vertelde mij dat Margje terminaal ziek was en naar mij had gevraagd. Nu, zo eenzaam in haar ziekenhuisbed, wilde ze toch eens ervaren wat ik voor haar kon doen. Mij werd verzekerd dat het maar voor één keer zou zijn, omdat ze binnen enkele dagen zou overlijden.

We maakten een afspraak. Ik zou Margje thuis bezoeken, op een avond, na mijn werk. Het was al helemaal donker toen ik bij haar huis aan kwam. Een boerderij, die aan de wegkant niet was verlicht. Geen naambordje of bel. Alles was even donker, zwart en stil. Met mijn tas met massagespullen liep ik, tastend, langs het tuinpaadje om het huis heen. Ik voelde me een soort insluiper, klaar om mijn slag te slaan.

Daar zag ik, aan de andere kant van het huis, een raam dat zwak was verlicht. Ik tikte op het raam. Een hond sloeg aan. Mijn hart sloeg een slag over. Een deur ging open. In de deuropening stond het silhouet van een man, die mij beduidde snel binnen te komen. Hij sloot de deur direct achter mij. Ik stond in een donkere gang. Achter mij die vreemde man die nog niets had gezegd. Was ik hier wel op het juiste adres?

De onbekende man vroeg mij mijn tas neer te zetten. Die tas zou de honden argwanend maken. Hij was er nog niet aan toe gekomen de honden op te sluiten in hun kooi. Maar als ik heel rustig de keuken binnen zou lopen en hij vlak achter mij zou gaan, zouden de honden begrijpen dat ik goed volk was. Daarna zou hij mijn tas uit de gang gaan halen.

Ik schuifelde door de donkere gang naar de contouren van een deur, waar een zwak licht door de kier piepte. Langzaam opende ik de deur. In de grauwe keuken zag ik eerst 3 Rottweilers. Zij zagen mij ook. Ik versteende. De honden kwamen naar mij toe. De vreemde man stond vlak achter mij. Moest ik me nu veilig voelen?

De honden waren druk, maar ze deden mij niets. Ik begroette ze zo vriendelijk als ik maar kon. Ze verloren hun belangstelling in mij. Nu pas kon ik wat om mij heen kijken. In de met TL-buizen verlichtte keuken stonden 3 grote, ijzeren, kooien voor de honden. Er stond een haveloze keukentafel, waaraan de man de krant had zitten lezen. De krant lag nog opengeslagen op de sportpagina. Zijn stoel stond achteruit geschoven.

Een suizende gaskachel maakte het benauwd warm in de keuken. Naast de gaskachel, tegen de kale, witte, buitenmuur aangedrukt, stond een ziekenhuisbed met daarin een doodzieke vrouw. Broodmager. Een gelig gezicht, dat het meest weg had van een vogelkopje. Kaal, op een enkel plukje vlasbond haar na. Ze keek mij aan en ik keek naar haar. Ik wist dat ze van mijn leeftijd moest zijn en dat maakte deze aanblik extra schokkend.

We hebben even gepraat, Margje en ik. De man was weer aan tafel gaan zitten en bemoeide zich uitgebreid met ons gesprek. Op het veelvuldig verzoek van de vrouw om ons alleen te laten, ging hij niet in. Hij wilde thee voor mij zetten en die was nog niet klaar, dus kon hij nog niet weg. Die thee kwam niet. Ik voelde me steeds benauwder worden in die ruimte.

Zonder thee en met een nieuwsgierige echtgenoot die mij op de vingers keek, begon ik aan de massage van de vrouw. Ik had haar broodmagere lichaam al gezien, maar ontdekte nu die vreselijk opgezwollen buik. Als masseur moest ik haar aanraken. Dat vreselijk toegetakelde lijf liefdevol aanraken. Ik voelde verzet in mij. Waarom moet iemand zo lijden? Dit is toch niet redelijk? Ik zocht oogcontact met haar. Zij keek mij aan. Zwijgend. De ogen van een leeftijdgenoot. In dit lichaam leefde nog steeds een vrouw die verder wilde met haar leven. Die niet dood wilde.

Ik heb haar gemasseerd, terwijl de Rottweilers onder en rond het bed liepen. Ik moest mijn benen steeds optillen om over een hond heen te stappen. Maar deze honden waren als kinderen voor haar. Ze wilde de honden dicht bij zich hebben. En ik wilde haar wens respecteren.

Het bleef niet bij één keer. Margje genoot van mijn aanraking. Ze leefde op door liefdevolle aandacht. Ze vroeg me of ik iedere dag kon komen. Dit was wat ze nodig had. Dit was wat ze haar hele leven had gemist. Nu wilde ze er uit gaan halen wat nog mogelijk was.

Mijn volle agenda stond geen dagelijkse afspraken toe. Zo vaak ik kon, kwam ik bij haar langs. Op zaterdagavond, op zondagmiddag … Trots vertelde ze me dat ze voor het eerst weer wat gegeten had. Een boterham met pindakaas. Enkele dagen later had ze voor het eerst weer warm eten gehad. Ze was er van overtuigd dat ze de kanker ging overwinnen. Ik dacht er het mijne van en zweeg.

Ondanks het eten werd ze steeds magerder. Ik dacht steeds dat een mens niet nog magerder kon worden, maar zij bewees dat dat wel mogelijk was. De dosering van de morfinepleisters nam enorm toe, maar ze bleef volhouden dat ze vooruit ging. Iets anders wilde ze niet horen.

Toen ik op een avond binnen kwam, was ze totaal overstuur. Ze braakte, al was er niets meer te braken. Toen ze wat rustiger was geworden vertelde ze me dat de dokter die dag was geweest. De dokter had haar gevraagd of zij van hem verwachtte dat hij een einde aan haar lijden zou maken. Daar kon over gesproken worden.

Ik was verbaasd dat een zo uitgemergeld lichaam nog zoveel verontwaardiging kon tonen. Ze wilde niet dood en ze zou niet dood gaan! Weer braakte ze. Het was mij duidelijk dat ik het ook niet over haar naderende einde kon hebben. Deze vrouw bleef ontkennen dat de kanker haar de baas was geworden.

Het werd december. De feestdagen naderden. Ik bezocht Margje nu al 8 weken. Toen ik deze avond binnen kwam vertelde ze mij dat ze bezoek had gehad. Dat was uitzonderlijk. Tot nu toe kreeg ze helemaal geen bezoek. Ze leefde, samen met haar man en de honden, een heel teruggetrokken leven. Nu, in het kader van de naderende feestdagen, was iemand van de kerk bij haar langs geweest en had even bij haar gezeten. Deze bezoekster had een lichtje achtergelaten, in de vorm van een engeltje. Het kaarslicht in het engeltje brandde.

Terwijl ik Margje masseerde, wat steeds moeizamer werd, hield ze haar ogen onafgebroken gericht op het engeltje, dat vlak boven haar hoofd op de schoorsteenmantel stond. Ook ik keek steeds even op om naar het engeltje te kijken. Haar lichtje verlichtte onze hoek in de keuken. We spraken niet. Er was alleen het suizen van de gaskachel, de geur van lavendelolie en zo nu en dan een zacht gekreun van een hond. En het engeltje, waarvan de gouden glans steeds hypnotiserender op mij begon in te werken.

In deze stilte zag ik de ogen van Margje gericht op haar engeltje. Ik wist intuïtief dat dit de laatste keer was dat ik haar in dit leven bezocht. Toen ik uiteindelijk vertrok, heb ik de stilte even doorbroken om afscheid van haar te nemen. “Slaap maar lekker” was alles wat ik tegen haar kon zeggen.

Ze wilde nog een nieuwe afspraak. Die afspraak werd de volgende dag door de man geannuleerd. Zijn vrouw was die nacht in alle rust overleden.

Sjoerdje Bourgonje                                                                                                         

Donkerbroek, 2006

 

Geplaatst op: 12 December 2017

terug